
Laatst lagen mijn man en ik samen op de bank. We hadden het over de huizen waar we allemaal gewoond hebben in de afgelopen zeventien jaar. Over ons eerste eigen huis, op de foto hierboven, met de gele bank waar we nooit helemaal oppasten met zijn tweeën. Dat we die plek soms wel missen, maar dat dat niet alleen te maken heeft met het huis, maar ook met de fase van toen. En dat dat nu eenmaal voorbij gaat, maar dat je van ieder huis ook weer iets moois meeneemt.
Even voor de achtergrond: ik was 19 toen we verkering kregen. Ik was in het jaar daarvoor verhuisd van Hoorn naar Zwolle, voor de studie. Hij en ik waren klasgenoten, al in het eerste jaar van journalistiek, maar zagen elkaar nooit staan. Tussen dat eerste en tweede jaar beleefde ik een turbulente zomer waarin mijn verkering uit ging (en die van hem ook, bleek achteraf) en ergens tussen de start van het tweede collegejaar en de herfstvakantie sloeg de vonk over. Sinds november 2009 zijn we een stel. Da’s dus bijna 17 jaar.
We woonden toen allebei in een studentenhuis. Ik in een oude boerderij in een buitenwijk van Zwolle. Met elf anderen. Huub. Sara. Sjaak. Frank. Michelle. En nog tal van anderen wiens namen je na verloop van tijd toch vergeet, ondanks de met wijn doordrenkte beloftes van ‘dit gaan we nooit meer vergeten’. Een geweldig huis, met als groot nadeel dat de bejaarde huisbaas in het voorhuis woonde en geen liefhebber was van overnachtende vriendjes. Op straffe van ‘je vader bellen’. Nu was mijn vader daar vermoedelijk niet erg van onder de indruk geweest, maar toch nam ik het risico liever niet. Bovendien was het er nogal gehorig, met 1 gipsplaat tussen mijn bed en dat van de buurvrouw. Daarom was ik, toen de verkering serieuzere vormen aan begon te nemen, eigenlijk altijd bij mijn lover. Hij woonde in het smerigste studentenhuis dat ik ooit zag (ik denk echt dat een beetje bioloog in die keuken nieuwe schimmelsoorten had kunnen ontdekken), maar zijn kamer was groter én middenin de stad. Zonder bemoeizuchtige huisbaas.


Er kwam voor mij nog een ander studentenhuis tussendoor, die hierboven, maar na twee jaar besloten we dat we voortaan samen wilden wonen. Wonder boven wonder werden we al een maand na dat besluit ingeloot voor een huurappartement dat nog gebouwd werd en een half jaar later opgeleverd zou worden. En in de tussentijd sliep ik eigenlijk altijd in het studentenhuis van mijn wederhelft. De keuken was daar ondertussen gerenoveerd, maar verder wis je 40 jaar studentenbewoning niet zomaar uit. De muizen renden over de leidingen langs het plafond, de douche liep meestal niet door en op blote voeten lopen was zeker in de gezamenlijke ruimtes een slecht idee. En toch was het een fijne plek. Het sneeuwde die winter veel en wij zaten daar, voor de vermoedelijk levensgevaarlijke gaskachel, samen op 25 vierkante meter een beetje verliefd te zijn. En onze scriptie te schrijven, Knorr Wereldgerechten te eten, series te kijken en vooral heel veel chips en Ben & Jerry’s weg te werken. In gezelschap van uiteindelijk twee katten, onder het mom van muizenbestrijding.



In de zomer van 2012 verhuisden we, met de katten, naar het spiksplinternieuwe appartement. Je ziet het hierboven. Het was enorm in vergelijking met de studentenkamers en ineens moesten we dingen kopen als Pax-kasten, een afzuigkap en eettafel. Geen vaatwasser, want we hebben het tot ons ons vorige huis volgehouden om met de hand af te wassen. De kinderen waren er toen nog lang niet, zelfs de wens bestond nog niet. We werkten allebei en haalden ondertussen de laatste vakken van de opleiding, gingen op stap en sportten veel. We studeerden af en kregen vaste contracten. Er zijn flarden van etentjes op het balkon, van racefietsen over de dijk, van onze eerste echte ruzie, van filmavondjes op de enorme bank. Van de katten die niet naar buiten konden en daarom dagelijks een soort steile-wandrace door de gang en over de bank hielden. Van lopend naar de stad en het prachtige uitzicht bij zonsondergang. Het was een fijn appartement, maar toen we er niet meer woonden heb ik het geen moment gemist. Echt thuis werd het nooit, geloof ik.



Het huis daarna, ons eerste echte eígen huis, mis ik daarentegen nog steeds wel eens. Het huisje onder de kerk. We probeerden ons voor te stellen hoe het zou zijn geweest als we daar nu nog woonden, in dat knusse jarentwintighuisje. Wie er dan in welke slaapkamer zou slapen (er waren er twee van normaal formaat en eentje van 2 bij 1.80) en waar we dan thuis zouden kunnen werken (nergens). Dat de kinderwagen daar altijd binnen stond, er altijd wel iéts lekte, de badkamer nog kleiner was dan de kleinste slaapkamer en dat de bakfiets geen optie was geweest omdat we daar geen achterom hadden. Maar toch, ondanks de praktische bezwaren, woonde ik er dolgraag. Het was het eerste huis dat we samen kochten en verbouwden. Waar mensen kwamen eten, we feestjes vierden in de achtertuin, waar vandaan we lopend naar het station konden om naar ons werk te gaan, waar de bevalling van S. begon en we die eerste bloedhete zomer als gezin van drie doorbrachten. Een huis met zoveel mooie herinneringen.





Toen S. 9 maanden was, zijn we verhuisd naar het huis waar we tot vorig jaar woonden. In de wijk waarvan ik altijd gezworen heb dat ik er nooit naartoe zou gaan. Maar nood brak wet. We zochten iets groters en moderners en eindigden tóch daar, in een splitlevelhuis dat ik tijdens mijn tweede zwangerschap dagelijks vervloekte (zes trappen, bekkeninstabiliteit en een dramatisch geheugen is een héle slechte combinatie), maar toch een thuis werd. Het huis dat de hele coronacrisis als een veilige haven voelde, waar ik weer zwanger werd, een miskraam kreeg en een paar maanden later alweer zwanger bleek. Het huis van waaruit we trouwden. Waar S. van baby naar dreumes naar peuter naar kleuter ging en waar de bevalling van L. zich aandiende.
Het was het huis waar we eerste lachjes, stapjes en fietsen zonder zijwielen meemaakten. Waar kindjes eerder leren trapklimmen dan lopen en waar we nachtenlang naast een ledikantje zaten. Waar we op het hoogtepunt zes traphekjes tegelijk hadden hangen, de box vervangen werd door een kast vol LEGO en het ledikantje door een hoogslaper. Het was het eerste huis dat we volledig verbouwden, maar waar we ook daarna nog altijd op Funda zaten te speuren naar iets mooiers, iets beters, iets met een tuin. Het was het huis dat ik uiteindelijk vorig jaar september met een brok in mijn keel gedag zei. Niet per se vanwege het huis, maar vooral omdat het tijdens zo’n grote bepalende fase in ons leven een thuis was.



Deze week wonen we precies een jaar in ons huidige huis. We verhuisden om dichterbij de school van de kinderen te gaan wonen, in een hoek van Zwolle die we eigenlijk nooit echt overwogen hadden, en kwamen per ongeluk op een heerlijke plek terecht. Het is veel meer rechttoe, rechtaan dan ons vorige huis, net iets kleiner qua oppervlakte, maar vol met licht, kleur en vrolijkheid. Precies goed voor ons viertjes. Een grote leefkeuken voor lekker eten en spelletjes, een knusse zithoek met een houtkachel, voor allebei de kinderen een grote kamer, een werkkamertje en voor ons een slaapkamer met een dakraam waar de regen zo fijn op tikt. Niks wilds, maar voor ons een paleis. Een huis dat past bij deze fase in ons leven, met opgroeiende kinderen, in een buurt met vriendjes en vriendinnetjes, aan de rand van het bos en met een superfijne tuin.
Het vijfde huis in onze gezamenlijke geschiedenis. Of het de laatste is, durf ik niet te zeggen, maar voorlopig blijven we hier nog héél lang wonen.
Wat een heerlijke post weer – vol herkenbare observaties ook, oh, ik snap je helemaal wat betreft het ‘missen’ van (de fase van) dat eerste échte huis.
En wat prachtig zo al die kleuren in jullie interieur!